Requiem Mozart

Emanuel Overbeeke schreef een informatief stuk over het Requiem van Mozart en de aanpassingen en toevoegingen van Franz Xavier Süssmayer en Marius Flothuis

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Süssmayr, Franz Xaver (1766-1803)

Marius Flothuis (1914-2001)

 

Requiem (Mozart 1791, Süssmayr 1792, Flothuis 1941)

 

Mozart heeft zijn Requiem niet voltooid. Hij begon aan de compositie enkele maanden voor zijn dood, werd ziek tijdens het componeren en besefte vlak voor zijn dood dat hij het niet kon afronden. Om niettemin zo ver mogelijk te komen, riep hij de hulp in van zijn leerling Süssmayr die eerder dat jaar Mozart geholpen had bij de totstandkoming van zijn opera La clemenza di Tito. Na Mozarts dood vroeg zijn weduwe aan diverse componisten of zij het werk konden en wilden voltooien (het stuk was een opdracht en bij inlevering van een complete compositie kon zij een aardig bedrag vangen). Süsmayr was niet de eerste die zij benaderde, wel de eerste die erin slaagde een voltooide versie te leveren, die in 1793 voor het eerst tot klinken kwam.

Zijn versie bleef bijna anderhalve eeuw onaangevochten, ook al waren de reacties voorspelbaar gemengd. Süssmayr is geen Mozart, maar niemand weet hoe Mozart het werk zou hebben afgemaakt. Hooguit kunnen we dat vermoeden op grond van de delen die  Mozart geheel of gedeeltelijk zelf schreef. Het Introitus is voltooid, van acht delen hebben we alles behalve de instrumentatie, van het Lacrimosa alleen de eerste maten en van vier delen niets.

In 1941 besloot het Concertgebouworkest het werk uit te voeren in het kader van de herdenking van Mozarts 150e sterfjaar en de dirigent Eduard van Beinum vroeg Marius Flothuis om het werk te herzien. Flothuis – componist, musicoloog en assistent van de artistieke leiding van het orkest – had inmiddels enkele publicaties over Mozart op zijn naam staan en was over Süssmayrs versie duidelijk. ‘We zijn er niet honderd procent gelukkig mee, maar niemand van ons is in staat iets beters te maken.’ Flothuis hield zich in principe aan de versie van Süssmayr, maar bracht enkele veranderingen aan, onder meer inzake de instrumentatie. Hij herschreef de partij voor de trombones aan het begin van het Tuba mirum (die hij volstrekt on-mozartiaans vond en eerder typerend voor Süssmayr) en wijzigde de stemvoering in enkele partijen. Bovendien sleutelde hij aan de tekstplaatsing waarbij hij een voorbeeld nam aan andere composities van Mozart: de Mis KV 427 en de opera Die Zauberflöte. Ook al kenmerkt Mozarts creativiteit zich onder meer door de permanente wil zich te vernieuwen waardoor het natuurlijk de vraag is in hoeverre Mozart bij de compositie van zijn Requiem een voorbeeld zou hebben genomen aan een eerdere compositie van zichzelf, met zijn invalshoek onderscheidde Flothuis zich van Süssmayr die in deze kwestie eerder een voorbeeld nam aan conventies uit Mozarts tijd. Süssmayrs verkorting in de herhaling van het Osanna liet Flothuis intact, ook al had Mozart in de regel niet de gewoonte om in een mis het Osanna bij de herhaling te veranderen.

Noemde Flothuis deze veranderingen ‘cosmetisch’, een meer fundamentele ingreep betreft de overgang van het Benedictus naar de herhaling van Osanna. Flothuis vond de overgang van Bes groot naar D groot te abrupt en besloot daarom twee maten in te lassen als overbrugging. Daarbij liet hij zich inspireren door een vergelijkbare brug in de tweede acte van Mozarts Don Giovanni.

Na de première in 1941 bleef Flothuis’ versie jarenlang op de plank liggen. Pas in 1997 kwam het opnieuw tot uitvoering. In de tussentijd had de historische uitvoeringspraktijk een enorme vlucht genomen. Door het gebruik van oude instrumenten was Flothuis’ revisie van de trombonepartij niet meer nodig. Bovendien wilde hij van een enkele passage de instrumentatie veranderen waardoor het Requiem dichter kwam te staan bij de opera Die Zauberflöte die Mozart schreef pal voor zijn Requiem.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *