Requiem Fauré

Om even terug te blikken naar voorgaande edities van het herdenkingsconcert heeft onze orkestcommissaris Maaike van der Wel een informatief stukje geschreven over het Requiem van Fauré. Dit stuk werd namelijk al drie keer uitgevoerd door ons project.

Requiem Fauré

In de voorgaande herdenkingsprojecten viel de keuze van werk drie keer op het Requiem van Gabriel Fauré. Hoewel dit werk nu een van de meest populaire requiems is, was de eerste uitvoering geen succes. In 1888 was de eerste uitvoering van het (toen nog incomplete) Requiem, in de La Madeleinekerk in Parijs (waar Fauré organist was) op de begrafenis van een lid van de parochie. Na de uitvoering van het werk zocht de dienstdoende priester Fauré op om hem te vertellen dat de kerk geen behoefte had aan nieuwe, moderne composities, omdat het bestaande repertoire prima voldeed.

Blijkbaar liet Fauré zich niet uit het veld slaan, want in de 10 jaar daarna maakte hij het werk af. Oorspronkelijk componeerde hij het werk voor kamerorkest, maar rond 1900 maakte hij (of een van zijn leerlingen) een bewerking voor compleet orkest. Deze laatste versie is nu het bekendst, vooral de sopraansolo ‘Pie Jesu’ en het ‘Libera Me.’

Fauré schreef aan een vriend dat hij het Requiem ‘voor de lol’ schreef, dus niet naar aanleiding van een specifiek sterfgeval. Aan een andere vriend, de toen bekende violist Eugène Ysaÿe, schreef hij dat hij een nieuw soort requiem wilde componeren. Hij had al zoveel uitvaarten op orgel begeleid dat hij het standaardrepertoire flink zat was.

Wat hierin misschien meespeelde is dat Fauré niet religieus was (hij noemde zichzelf een agnost) en niet zoveel op had met de hel en verdoemenis die de katholieke kerk predikte in het ‘Dies Irae’. Dit vaste onderdeel van de requiemmis is vaak het middelpunt van requiemcomposities (bijvoorbeeld in het Requiem van Mozart en de Messa da Requiem van Verdi).

Daarom is het dan ook niet verwonderlijk dat Fauré die tekst vrijwel helemaal weg liet; alleen de allerlaatste woorden van de Dies Irae-sequens worden gebruikt, “Pie Jesu Domine, dona eis requiem.” Fauré zag de dood eerder als een vredige gebeurtenis, niet als het noodlot. Daarom is zijn Requiem (zoals hij in een brief schreef aan Ysaÿe) net zo vriendelijk als hijzelf.

De instrumentatie van het werk is tot slot interessant, omdat de belangrijkste stemmen niet te vinden zijn bij de violen en de houtblazers, maar bij de altviolen, de celli en (gezien Fauré’s carrière niet verwonderlijk) het orgel. De altviool- en cellosecties zijn in tweeën verdeeld, terwijl er maar één vioolpartij in het werk zit. De violen komen pas aan spelen toe in het ‘Sanctus,’ het derde deel. Vanwege deze bezetting schreef Fauré aan Ysaÿe: “Hoe meer altviolen, hoe beter,” een sentiment dat ondergetekende altviolist alleen maar kan toejuichen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *